Geschiedenis

Print

Geschiedenis van de deelgemeenten

Dilbeek 

Volgens de geschiedenisboeken wordt er in 1075 voor de eerste keer gesproken van "De Delbeccha". Het gaat hier om een samenstelling van het woord "Didilone", een prehistorisch hydroniem, en "baki", wat beek betekent.  

Aanvankelijk was de streek in handen van de heren van Aa te Anderlecht. Door de tijden heen werd het domein versnipperd door allerlei erfenisverdelingen en schenkingen.  

Pas in het midden van de 12de eeuw werd Dilbeek een zelfstandige parochie. Voor 1570 maakte deze deel uit van het bisdom Kamerijk, nadien van het aartsbisdom Mechelen.

Groot-Bijgaarden

In 1110 is sprake van Bigardis. Een afleiding van het Germaanse woord voor omheining. Later voegde men er "Groot-" aan toe,dit om een duidelijk verschil te maken met Klein-Bijgaarden. Oorspronkelijk hoorde Bijgaarden toe tot het domein van de Gentse Sint-Baafsabdij.  

In het begin van de 12e eeuw verscheen het geslacht Van Bijgaarden. Zij deden talrijke schenkingen aan de abdijen van Affligem en Groot-Bijgaarden. Door huwelijken tussen de twee families, kwam Bijgaarden in de tweede helft van de 14de eeuw, in het bezit van het vooraanstaand Brussels geslacht Veele alias Rongman.  

Na vele schenkingen binnen de families, wordt de heerlijkheid Bijgaarden in 1547 openbaar verkocht aan de graven van Königsegg-Erps.  

In 1125 vestigden zich in de bossen van Groot-Bijgaarden enkele vrouwelijke religieuzen onder leiding van de later heilig verklaarde Wivina. Deze kleine kloostergemeenschap groeide dankzij talrijke schenkingen uit tot een klooster met vele bezittingen. Tijdens de godsdienstconflicten moesten de zusters vluchten, bij hun terugkeer na 20 jaar is de abdij compleet verwoest. Onder Frans bewind wordt de abdij opgeheven en openbaar verkocht. 

Itterbeek

Itterbeek wordt in het laatste derde van de 12de eeuw vemeld als Itrebecche en in 1176 als Itterbecca. De plaats maakte aanvankelijk deel uit van het allodium Sint-Pieters-Leeuw. 

Itterbeek kreeg pas enige betekenis in de 13de eeuw toen het gebied onder Gaasbeek kwam en met Dilbeek en Sint-Martens-Bodegem het zogenoemde Nieuw Land van Gaasbeek vormde.  

Omstreeks 1244 werd Itterbeek een zelfstandige parochie; ze behoorde tot het bisdom Kamerijk, aartsdekenij Brabant, dekenij Halle.  

In 1690 werd Itterbeek door Karel II, Koning van Spanje, tot heerlijkheid verheven, ten gunste van Lodewijk-Alexander Scockart.

Schepdaal

De oudste vermelding luidt Scepdale (1260). De plaats was voor 1827 een gehucht van Zierbeek, genoemd naar de gelijknamige waterloop die het dorp bevloeide. 

In 1172 bezaten de heren van Sirebeke de heerlijkheid Schepdaal die van 1497 tot 1577 eigendom was van de heren van Gaasbeek. In 1457 had Zierbeek een eigen zegel.

Sint-Martens-Bodegem

De oudste vermeldingen luiden Bodenghem (1086, 1227) en Bodeghem in 1267. Sint-Martens-Bodegem was in de Middeleeuwen ingedeeld in een heerlijkheid, in leen gehouden van het Land van Dongelberg.

Het gebied had een eigen schepenbank, meier en leenhof, en in een cijnsheerlijkheid, die samen met delen van Itterbeek en Dilbeek van de heren van Gaasbeek in leen werden gehouden. In 1284 stond dit laatste deel onder jurisdictie van een schepenbank die eveneens bevoegd was over Itterbeek en Strijtem.  

In 1698 werden de lenen van de heren van Gaasbeek verheven tot het zogenaamde graafschap Tirimont. De kerk kwam in 1604 onder het patronaat van het Mechelse Sint-Romboutskapittel.

Sint-Ulriks-Kapelle

De oudste vermeldingen luiden Capella in 1150 en Capella Sancti Ulrici in 1263.

Sint-Ulriks-Kapelle was in de 11e eeuw een kleine nederzetting rond een bidplaats die deel uitmaakte van de grote parochie Asse. In de 13de eeuw werd zij eigendom van de familie Van Bijgaarden, en in 1369 behoorde zij aan de Leuvense poorter Jan van Nethenen. In 1500 werden de heren van Kapelle eigenaar van het leenhof Ten-Broeck, dat later een gehucht van Sint-Ulriks-Kapelle werd.In 1650 werd Sint-Ulriks-Kapelle tot baronie verheven. Men volgde er het gewoonterecht van Ukkel en er was een eigen schepenbank.

Wapenschild

Het wapen van de gemeente Dilbeek werd volgens het advies van de gemeentelijke cultuurraad op 19 december 1989 door de gemeenteraad vastgesteld en op 17 april 1990 door de gemeenschapsminister van cultuur bekrachtigd. 

De heraldische beschrijving luidt : 

in goud een dwarsbalk van lazuur, vergezeld in het schildhoofd van een adelaar van sabel, gepoot en getongd van keel, 
doorsneden
in goud een schildhoofd geschaakt van tien stukken van zilver en van keel
in lazuur, bezaaid met blokjes van goud, een keper van hetzelfde. 

Het wapen is samengesteld uit drie elementen die verwijzen naar het heraldisch verleden van de zes deelgemeenten. 

Het schild van Louis Alexander Scockaert, graaf van Tirimont (1633-1708), is representatief voor de voormalige gemeenten Dilbeek, Itterbeek en Sint-Martens-Bodegem.

Van 1690 tot 1792 vormden zij het graafschap Tirimont. 

De voormalige gemeente Groot-Bijgaarden wordt voorgesteld door het wapen dat voorkomt op en zegel van de schepenbank uit 1349 en toebehoorde aan de heren van Bijgaarden.

Almericus de Bigardis wordt, als eerste van dit geslacht, reeds in historische bronnen van 1110 vermeld.

Vlag

De vlag van Dilbeek werd op 19 december 1989 door de gemeenteraad als volgt vastgesteld : "Twee even lange banen van geel en van blauw" (met de gele baan langs de stok).

Legenden

Dilbeek en konijnenfretters  

Dankzij een bezoekje van Keizer Karel aan onze gemeente worden de Dilbekenaren konijnenfretters genoemd. Wie er het fijne van wil weten, kan het volledige verhaal naslaan.  

De heilige Alena

Wie zich afvraagt waarom de Sint-Alenatoren deze naam draagt, moet zeker eens de legende van de Heilige Alena lezen.